Welkom

De garnaalvissers te paard uit Oostduinkerke zijn sinds 4 december 2013 immaterieel werelderfgoed.
Unesco neemt de garnaalvissers te paard uit Oostduinkerke op in de Representatieve lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed van de mensheid. Oostduinkerke is wereldwijd de enige kustplaats waar de garnaalvisserij te paard nog bestaat.
In vroegere tijden was deze vismethode verspreid langs de ganse Noordzee waar het zacht glooiend strand dit toeliet.

Volgens oude Brugse archieven anno 1510 wordt er melding gemaakt dat reeds in “oude tijden” aan seynevissen werd gedaan. Seynevissen is het vissen met een seyne (net) door twee paarden getrokken.
In de abdij Ter Duinen, te Koksijde gesticht door de orde van de Cisterciënzers (1107), wordt door de boursier (econoom) in zijn beheersboek uit de jaren 1564 uitgaven geregistreerd betreffende seynen (netten) en aanverwante artikelen.
De strenge orde verving hun vismaaltijden slechts sporadisch, op vastgestelde feestdagen, door vleesgerechten. Uit deze gegevens zou men kunnen concluderen dat de abdij misschien niet aan de basis van de paardevisserij ligt maar toch de voortzetting ervan heeft gestimuleerd.

Het vissen te paard heeft veel ups en downs gekend zo ook het aantal paardenvissers. In 1785 spreekt men van 27 vissers op het hedendaags gebied van Koksijde. In 1905 werden er nog 15 geregistreerd, na 1918 een twintigtal en rond de jaren 1940 om en bij de 40 op het gebied van Oostduinkerke en het gehucht Galloper te Koksijde. In 1968 waren er nog 7 paardenvissers te Oostduinkerke, dit liep terug tot 3 om nu, zegge en schrijve 2016, terug met 16 te zijn!  

In 1535 vaardigde Keizer Karel maatregelen uit om het strandvissen te voet of te paard te verbieden. In 1773 werd door de Nieuwpoortse baljuw Merlebecque de mazen opgemeten en boetes opgelegd.
De paardevissers dienden ook belastingen te betalen en de kleine vis terug te gooien. Dit gebeuren werd tot kort elk jaar via volkstoneel opgevoerd als “De Stormfeesten”.

Ook het materiaal onderging veranderingen, van het seynevissen werd overgegaan naar de schee, dit is een schuine plank van circa 4 meter lang die over het zand scheerde om de garnaal te laten opspringen in het net. In de schee was een korrestok die via een touw door de visser werd aangetrokken om het net te openen. Rond 1955 werd een nieuwe methode gelanceerd door G. Ghys, leraar aan de Nieuwpoortse visserijschool.  Het net wordt nu door 2 zijdelingse planken (scheerborden) horizontaal opengehouden, een ketting sleept over het zand en vlotters laten de bovenzijde van het net drijven. Tot op heden wordt deze methode nog altijd gebruikt. Het net zelf heeft nu een breedte van ongeveer 8 meter i.p.v. 4 meter en is nu uit nylon vervaardigd wat sterker en duurzamer is.

De kledij van de visser is van het zware oliegoed overgestapt naar de lichte gele nylon jekkers en de zuidwester wordt slechts bij demonstraties opgezet. Vroeger keek de paardevisser naar de maan en kon naargelang de stand precies bepalen wanneer het eb of vloed was of het dood tij of springtij zou zijn. Nu kijkt men in zijn boekje “getijentabellen”… goed voor een heel jaar. De paardevisserij is zoals het getij het gaat op en af maar zolang het getij er is zal de paardevisserij er zijn.  

 
Het is in dit kort bestek niet mogelijk om de “paardevisserijhistorie” helemaal uit de doeken te doen, daarom verwijzen we graag naar de bron van dit schrijfsel: “de Oostduinkerkse Paardevissers Van Armada tot enkeling”.
Boeiend neergepend door Marc Suppley en uitgegeven door “Vereniging voor Vreemdelingenverkeer Koksijde Oostduinkerke vzw” (VVV) waar het boek te koop wordt aangeboden. Meer info: toerisme@koksijde.be